Mijnheere,
Onse hier te lande aengestelde equipage is nu vaerdig,2 bestaet in eene vloote van ettelijcke twintig schepen, daervan de meeste alrede wtgeloopen sijn, hebben oock bereits eene prijse, sijnde een Deensch scheepje met hout en dackpannen gelaeden becomen;3 de reste sal eerstdaegs volgen. Met deses staats equipperinge gaet het noch langsaem voort.4 Ick hebbe tot dato in mijne negotiatie noch geene verclaeringe van de heeren Staten-Generael connen becomen.5 Alles word opgeschoven totdat yder provintie apart haere resolutie over dese saacke sal ingebracht hebben.
Wt het rijck en hebben wij noch gans geene brieven ende in Dennemarcken is tsedert mijnen lesten niets gepasseert. General Torstenson hout sich tot Coldingen,6 heeft op de eilanden noch niets getenteert. Den coning van Dennemarcken is dan in Fuinen, dan in Zeelant,7 brengt te water en te lande alles te samen wat hij can tot sijne defentie. Ragotzi heeft noch immer goede progressen, soeckt door te breeken in Moraviën,8 daerover alle passen sijn verhouwen. Sijnen afgesondenen aen den keyser, naedat hij sijne brieven heeft overgelevert, is sonder audiëntie te solliciteren wederom doorgegaen.9 De
357
Turcken stroopen sterck tot voor Coppronies, Totis, Raab, Comorra en Nieuheusel,10 'twelck aen 't keyserlijcke hoff groote ombrage geeft, ende niet in postuure is om aen ‹den› Dennemarcken eenig secours toe te senden.Ick blijve, mijnheere,
u. Exc.tie dienstwilligste.
Den 25 April 1644.
Bovenaan de brief schreef Grotius: Rec. 5 Maii.