eLaborate
::: eLaborate options :::
    Show pagebreaks
    Show variations
    Letter



    358

    894. 1624 April 18. Aan N. van Reigersberch1.

    Mon frère.

    Ick ben U.E. grooten danck ende antwoord schuldigh op twee brieven, dye van den eersten ende dye van den vyerden April. Onse Ambassadeurs2 hebben audiëntie gehadt ende sijn gecomen in een zeer bequamen tijdt. Naeder yet verstaende - gelijck ick hoop door een goed vrund geadvyseert te werden - sal ick U.E. advyseeren. De president de Mesme3 is te hooff gegaen om zijn last te ontfangen. Nae het desadveu van de handeling van den commandeur de Sillery4 - dye ick gelesen heb ende vinde zeer avantageux voor den paus ende den Coning van Spangnie - weet ick niet off yet naerder op de saecke van de Grisons is geresolveert. Het credijt te hooff van de principale dienaers staet noch wanckelbaer, men syt dat Thoras, een van de Edelluyden, dye by den Coning veel vermogen, in querelle is met de Marquis de Vieuville, die door zijn groote sorg van geld te spaeren niet en can zijn sonder veele vyanden. Ick verlang te hooren wat tael d'heer van Maurier sal houden als hy hyer comt, maer ick weet wel dat hy my geen groote dienst en sal connen doen, alsoo hy niet considerabel en is. Ick heb brieven uit Holstyn van den heer van Moersbergen5, oock van Grevinchoven, dye my daer nooden. Ick meen beleefdelijck te antwoorden met uytstel, dat ick noch van hyer niet en can, hebbende een werck onder handen dat ick hyer afdoen ende doen drucken moet6. Gelycke antwoord sal mogen dienen op de saeck van Denemarcken7. Van eenige hope te geven van volck daer te trecken, heb ick my wel gewacht en sal my voorts wel wachten. Alle de swaricheyden, dye U.E. ende andere considereren, comen my oock wel te ooren ende daer en is niet dat my daer soude connen doen gaen, dan de sorg voor mijn huysgesin, daertoe ick ben geobligeert. Evenwel sal ick dit jaer hyer harden, misschyn wat Godt daernae geeft. Wil geen moeyte doen om my de poort van Holland te openen. Ick heb te veel waerschouwingen ende redenen om dye te vreesen, dye my sonder reden eens soo quaelijck hebben getracteert ende nu machtiger zijn als doen, ende haer by my houden geoffenseert. Als ick soude moeten verhuisen dunckt my dat Spier best soude sijn, hoewel de stad in de macht is van den Keiser, maer dat soude een advocaet niet veel raecken, ende ick soude onder goede verclaering my connen vougen by dye van de confessie van Augsburgh. Wilt by alle gelegenhyt de vrundschap van H.8 onderhouden ende hem verseeckeren van mijn affectie tot hem boven alle Prinsen en Heeren. Spreeckende met dye van Amsterdam wilt haer verseeckeren dat ick noyt van advijs en ben geweest, oock niet zijn en sal, met Vranckrijck te handelen anders als by manier van een egaele alliantie. Uwe correspondent soude connen aen my schryven sonder onder-

    359

    teikening, maeckende 't opschrift aen Jaques Boisot onder couverte van Sr. Olivier9. Ick sal de brieven soo houdende wel doen lichten, Op 't hoff alhyer is weynigh fundaments te maecken om de jonckheyt van den Coning ende yver tot de roomsche religie, contremynen van de ministers d'Estat ende de anderen, resolutiën van den Prins van Orangie niet te willen offenseeren, hoop dye men heeft van mettertijdt nieuwe avantage op ons landt te becomen, dan daertoe ick soude willen helpen.

    Condet U.E. yet naerder verstaen van eenige differenten tusschen de Generaliteyt ende de notable Provinciën, wilt my daervan onderrechten. Ick meen dat de Guarde des Seaux10 ende de Secrétaires d'Estat11 by gelegentheyt sullen connen getuigen van de affectie, dye ick draegh tot het landt, ende de debvoiren, dye ick doe om alle offensie weg te nemen ende de saecke te bereyden tot vrundelycke correspondentie. Hyervan en souck ick geen loon doch de rust van mijn gemoed. 't Gunt U.E. van het huwelick van H.12 schrijft doet my verwonderen. Van Engelant heeft men hyer alle dage beter opinie. 't Schijnt dat Milord Riche13 met goede last nae den Coning is gegaen ende van nieus de saecken bereydt werden tot een extraordinaire Ambassade14. In de brieven van een monick buyten Amiens geattrappeert zijn veel dingen ontdeckt tot naedeel ende verachting van Vrancrijck. Ick had laestmael een brieff gesonden aen U.E. door Sr. Cousaeri; ick hope die wel te handen zal zijn gecomen: soo niet wilt daer nae vernemen. Ick bidde oock geadviseert te werden soo eenige merckelicke tydingen comen uyt Oost- ofte West-Indien. Ick sal seer blyde zijn te verstaen de consideratiën van de vrunden in Zeelant op myne saecken, die wel geen raed van doen hebben. In Holsteyn is geen sonderling tractement te verwachten. De casuelle proffyten dye men my garen schoon soude voorschilderen zijn weynigh apparent ofte zeer onseecker. Sijn Extie. van hyer te doen perssen voor my is ongeraden. Dat de princen onwillich doen baert quade effecte. Oock is alle uytheemsche recommendatie suspect als smaeckende nae factie. Ende hoe ick meer op de saeck let, hoe ick - gelijck ick hyervoren heb begonst te seggen - meerder peryckel vinde voor my in 't landt comende.

    Hyermede sal ick eyndigen ende U.E. ten hoochste bedancken voor de groote sorg ende naersticheyt in myne saecken. Bidde om myne ende mijns huysvrouws gebiedenisse aen moeder, broeders, susters ende vrunden.

    De saecke by mijn broeder den Rentmeester15 aen my gerecommandeert meen ick dat eerstdaegs sal bepleyt werden. De Premier Président heeft de recommendatie, die ick hem van deselve saeck gedaen hebbe, wel aengenomen. Ick soude de persoon dye het beleydt heeft garen oock met raed assisteren, maer zijn advocaet is schouw, soodat hy met my niet en wil spreecken, ende van de bequaemste niet. Ick vreese voor faute in het beleydt. Sal doen wat my mogelick is. Tot Parys. Den XVIII April XVIcXXIIII.

    U.E. dienstwillige broeder
    H. de Groot

    360

    Daer terstont wordt my een boeck gebracht van Josephus Hallius16, deecken van Wigorn in Engelant, een persoon van groot reputatie, die aldaer aen de Synode te London nu vergadert advys geeft t'eenemael conform myne advysen. De woorden zijn: ‘utinam Reformationem ecclesiarum etc.’.

    Adres: E. hooggeleerde voorsienighe Mr. Nicolas Reigersberch Advocaet voor den Hove van Hollandt tot Middelburgh.

    In dorso schreef Reigersberch: Br. de Groot van Paris den 18 Ap. 1624. Niet geresolveert in 't lant te komen. Onseeckerheyt van het hoff. Advijs van Hallius nopende een generael Synode.

    Notes



    1 - Hs. U.B. Amsterdam, cod. H 5 j. Onder dezen brief schreef Maria het briefje uitgegeven Brieven van Maria van Reigersberch, ed. Rogge no. XVIII, p. 77.
    2 - Zie p. 357 n. 2.
    3 - Zie p. 348 n. 1.
    4 - Broeder van den kanselier, Nic. Brulart de Sillery; gezant te Rome, en thans teruggeroepen; zie p. 338 n. 4.
    5 - No. 888; zie ook p. 368 n. 6.
    6 - De iure belli ac pacis, zie p. 254 n. 14.
    7 - Zie p. 329 n. 3.
    8 - Prins Frederik Hendrik.
    9 - Zie p. 214 n. 2.
    10 - Et. d'Aligre.
    11 - Zie p. 337 n. 7 en 8.
    12 - Prins Frederik Hendrik.
    13 - Zie p. 347 n. 7.
    14 - Zeer spoedig kwam James Hay, first earl of Carlisle, als buitengewoon gezant, om het huwelijk van den Prins van Wales met Madame Henriëtte Marie voor te bereiden.
    15 - Johan van Reigersberch.
    16 - Joseph Hall, deken van Worchester, had in 1618 de Synode te Dordrecht als afgevaardigde van James I bijgewoond. Het hier bedoelde boekje is: Columba Noae.
    Search



    Searchform

    Fulltext search

    Search domain

    Search site
    Search current document

    [text]
    [text]
    [text]