eLaborate
::: eLaborate options :::
    Show pagebreaks
    Show variations
    Search



    Searchform

    Fulltext search

    Search domain

    Search site
    Search current document

    Letter



    388

    2419A. [ca. 1636]. Aan N.N.1

    [Grotius verlangde] dat hem zijne boeken en schriften die in Hollandt wierden gehouden, mochten worden ter hand gestelt; ... schreef hij aan zijne vrinden [H.G. 17 Aug., item 21 Feb. 1636]:

    Men is schuldig ... uit kragte van het vonnis2 mij die te laten volgen. En zelfs volgens het natuurlijk en borgerlijk recht.

    Notes



    1 - Gedrukt in Brandt-Cattenb., Leven II, p. 50. Vgl. no. 2240 (dl.VI).
    2 - Op 17 met 1630 bepaalde het Hof van Holland dat Maria van Reigersberch tegen betaling van ‘tsestich ponden te 40 grooten 't pont’ in het bezit moest worden gesteld van de in 1619 geconfisqueerde goederen van Mr. Hugo de Groot. Zie G. Moll, ‘De confiscatie der goederen van Hugo de Groot’, in: Oud-Holland 20 (1902), p. 83-112.