eLaborate
::: eLaborate options :::
    Show pagebreaks
    Show variations
    Search



    Searchform

    Fulltext search

    Search domain

    Search site
    Search current document

    Letter



    6459. [1643 oktober 3]. Aan J. Oxenstierna.1

    Postscriptum: Marinum, qui mirum semper in modum de pecuniae egestate queritur, commendo quantum possum.2 En in de hand van Grotius: Literas Excellentiae vestrae

    593

    datas Mindae XXIX Augusti [accepi], pro quibus gratias ago. Legati ad tres paces hic in procinctu sunt.3

    Bovenaan de brief staat in een onbekende hand: Aug. 1644 [doorgehaald]. En: Sept. 1643.

    Notes



    1 - Hs. Hannover, Niedersächs. Landesbibl., ms. XIIc, 723, f. 13. Eigenh. ondertek. Antw. op no. 6424. Met uitzondering van de postscripta bevat deze brief aan Johan Oxenstierna dezelfde tekst als de nieuwsbrief van Grotius aan kanselier Axel Oxenstierna (no. 6458). De tekst is opgenomen in de uitgaven van F.C. von Moser, Diplomatische und Historische Belustigungen V (BG no. 1254), p. 20, en Hugonis Grotii ad Ioh. Oxenstiernam et Ioh. Adl. Salvium epistolae ineditae (BG no. 1224), p. 16.
    2 - De geldnood van de Zweedse resident in Zürich bracht Johan Oxenstierna pas in mei 1644 onder de aandacht van de rijksraden (Acta pacis Westphalicae; Die Schwedischen Korrespondenzen I, p. 221).
    3 - De Franse gevolmachtigden ter vredesconferentie Claude de Mesmes, graaf van Avaux, en Abel Servien, graaf van La Roche-des-Aubiers, en de nieuwe bemiddelaar voor een vrede in Italië, Melchior Mitte de Chevrière-Miolans, markies van Saint-Chamond (Chaumond), waren nog niet vertrokken. De derde ‘vredestichter’ Henri de Lorraine, graaf van Harcourt, had Parijs al verlaten.