eLaborate
::: eLaborate options :::
    Show pagebreaks
    Show variations
    Search



    Searchform

    Fulltext search

    Search domain

    Search site
    Search current document

    Letter



    985. 1625 juni 2. Van N. van Reigersberch.1

    Mon frere,

    Gisteren den lesten April [sic] sijn de gedeputeerde van Hollant, onder andere Duvevoorde ende Brouckhoven, ende de gedeputeerde van Zeelant, S[c]hotte, Jan Claessen Backer van der Goes, Altena van Vlissyngen,2 die hier met die van Hollant op het formeren van de commissie van het stadthouderschap hadden gebesongeert, gesamentlijck om deselffde commissie aen den prins te leveren naer het leger gereyst. De commissie is in alles conform die van den overleden prins, alleen is nopende de religie verandert dat sijn Excellentie die sal mainteneren sulckx die bij publycke autoriteyt tegenwoordych publyckelijck wert geëxerceert. Die van Zeelant souden wel geen veranderynge hebben begeert; dan alsoo Hollant seyde daerin te willen volgen hetghene in de commissie als generael ende admirael was gestelt, hebben die van Zeelant, om in geen voirder disputen te commen, daer niet in willen contrariëren. Den brieff met de bijgaende stucken is den eersten Mey gevolcht; soo de tijdinge wat later, de congratulatie sal te tijdelijcker commen.3 Hebbe uE. vader die eer behandycht, dan vont geen occasie; hebbe hem die van Noordynge4 aengewesen. Het onthael van de voorgaende hadde ick vóór uE. schrijvens van Artax[erxes] ende Driak[el]5 verstaen; hebbe uE. vader gebeden hij sorgen wilde dat hetgene diesaengaende passeert doch bij hem ende dieghene door wiens handen het passeert discretelijck mocht werden gemenageert, daer het minste esclat alle onse hoope soude connen renverseren. Bidde uE., sonder dat ick daerin bekent sij, hetselffde mede op het hoochste gelieve te doen, want de materie seer teer is.

    270

    Art[axerxes] ende Dria[kel] heb ick beyde tesamen ende elckx in 't bijsonder gesproocken; vinde beyde wel vol goede hoope, doch sonder eenych particulierder fondament als van hetghene over lange is gepasseert. Ick mercke mijn correspondentiën wel sooverde gaen als de haere. Den tijt valt haer lanck te verwachten, maer met impatiëntie is niet anders te voorderen als sijn ongestumicheyt bekent te maecken, ende de saecken op een onbequamen tijt te willen voorderen waer het middel om die te verachteren ofte verbrodden. Nous sommes en trop beau chemin pour renverser. Sij hadden garen gesien ick, die best pretext conde vinden, een reysken hadde gemaeckt, sed non ego credulus illis.6 Wanneer van mijn saecke wat sal werden gedaen, weet ick niet, kan niet heel lange aenloopen; bij die occasie sal ick naer het leger reysen. Tegens halff Juni gaen ick naer Zeelant, daer ick den tijt verbeyden sal, tenwaer yet anders van importantie voorviele. Dese weecke reyse ick naer Amsterdam, blijve daer acht dagen, sal daer noch elders niet versuimen dat uE. dienstych kan sijn. Vertrout dat ick niet sal rusten voor ick yet goets voor uE. tewege hebbe gebracht. Doet van gelijcke alles daer dat eerlijck ende doendelijck is. De kinderen van Hogerbeets is haer versouck vooralsnoch affgeslagen; sullen het dese weecke wederom vernieuwen.7 Hollant presideert. Boutselaer8 gheeft haer hoope, soo het nu niet wert geaccordeert, dat hij als Utrecht presideert het tewege brengen sal. Misschien sal d'absentie van Bormannia, die de saecke niet gunstych is ende met Aertsens in extraordinaire ambassade naer Engelant is gecommitteert,9 daertoe helpen.

    Sellynger, swager van Ogle,10 is wederom gecommen; versouckt dat 20 van onse schepen bij de 80 van Engelant souden werden gevoucht, ende Cissel ofte Veer11 om het volck dat daer mede soude gaen, te commanderen. Den conynck doet het masquer noch niet aff; de schepen sullen gaen onder de banniere van den conynck van Bohemen. Voor Mansvelt12 comt noch geen gelt; het parlement is wtgestelt, ende werden de Staten versocht wederom het verschot te doen. Men soude den boge hier wel soo spannen dat hij eens breecken soude. Ons leger leyt wederom te Waelwijck. Breda is buyten hoope van ontset. Men seyt dat se het noch drie maenden connen houden ende dat bij ons middelertijt yet anders aengevangen sal werden. Andere meenen dat men sulckx laet verluden om die van binnen aen beter conditiën te helpen. De ordre binnen is seer groot, ende schijnen alle haer tuinen ende leedyge plaetsen te hebben besayt, daervan sij‹n› veel nootdruft trecken.

    Ter zee hebben onse saecken seer qualijck gegaen, dan is hoope van redres. Hartochsvelt van Rotterdam,13 noch een wel gequalificeert inwoonder van Enchusen doen voorslagen te haren coste de zee te veylen, mits dat sij de equipagie doen, de cappiteynen stellen ende voor elck schip dat sij nemen ofte destrueren, naer advenant de groote, eenych praemium genieten; seggen wt lieffde van het lant sulckx te willen bestaen, presenteren het lant te dienen van advis, soo het lant de middelen bij de hant nemen wil. Daer wert

    271

    naer haer voorslagen geluistert, ende heeft apparentie dat den hoochdryngen noot die sal doen accepteren. Den aenslach van de onse op het viants convoy ende het mislucken van deselffde heeft uE. buyten twijfel verstaen. Marquette14 draecht daervan den schult naer het oordeel van de gemeente, wert leelijck wtgecreten onder het volck, die seggen het ontset van Breda daeraen vast was. Luden van qualiteyt spreecken daervan weinych tot avantagie van Marquette. Sijn Excellentie, soo Marquette hoe het toegegaen was quam rapporteren, sprack noch goet noch quaet; die daer ontrent sijn geweest relateren dat hij seer was ontstelt. Dit sal sijn poursuites tot het generaelschap van de cavallerie weinych avanceren; heeft tot concurrenten graeff Ernst voor hemselven, om daernaer op sijn soon te brengen,15 den heer van Kessel, nu graeff van Hoorn,16 en de heer van Brederode.17 Men meent sijn Excellentie het selffs houden sal. Den heer van Kessel wert geseyt extraordinaire wel bij sijn Excellentie te staen, gelijck oock doet monsieur Wits,18 die beyde den prins bij alle occurrentiën hebben gevolcht.

    Vacerende het stadthouderschap, heeft het Hoff de magistraet van Rotterdam vermaeckt vier notoire arminianen als schepenen, waeronder is Bus ende Jan Snaets gestelt.19 Den prins heeft den hoffmeester van sijn broeder, stalmeester,20 edeluden ende pages gecontinueert, den raet absolutelijck aengenomen,21 den greffier22 bij provisie, thresaurier Knuyt verlaten, die echter raet blijft,23 Brouwer, voordesen sijn thresaurier, in de plaetse gestelt,24 de bouckhouders affgedanckt. Het schijnt hij den voet van sijn broeder daerin niet volgen wil, meent die drie persoonen heeft gebruickt tot hetgene één getrouw persoon wel konde doen. Het bewint van sijn particuliere saecken sal aen sijn raden staen, waerdoor de authoriteyt van den greffier sal sijn benomen. Verdoes,25 die in goet credyt is, gaet met Borre26 in Zeelant possessie nemen van de goederen daer gelegen.

    272

    Den prins gebruickt sijn autoriteyt met seer groote moderatie, refuseert den tytel van u. Genade, seyt sijn voorygen tytel hooch genouch geweest te sijn ende hem daermede tevrede te houden, onderteyckent sijn brieven aen de Staten-Generael: ootmoedygen ende onderdanygen dienaer. Den overleden schreeff: goede vrient. Dimmer,27 laestmael spreeckende van de princesse, noemde die: u. Excellentie gemael; hij seyde dat hij een Hollander was, geboren van Delff, dat men se daer hiet: vrou, huisvrou off wijff, dat hij van de Duitsche pracht niet en wist. Is extraordinaire courtois tegens al de werelt, hout hem seer stil ende gereserveert.

    Aertsens soon28 is cornet van den hartoch van Weymeren;29 het schijnt hij al de trappen selffs ende in sijn soon wil gaen die den advocaet in sijn swager ende soon heeft gegaen.30 Tot Amsterdam is weinych moderatie onder de predicanten te vinden, ende daer de meeste is, daer is de minste autoriteyt. Doucher31 is van sacht naturel, heeft sulckx in 't synode getoont; wil wel occasie waernemen om hem van uwentwege te getugen het goet rapport dat uE. van sijne genegentheyt t'uwaers is gedaen. Hoe de accommodatie in de kerckelijcke saecken gevonden sal connen werden, sie ick noch niet. [Van] Vosberge32 hebbe ick tsedert niet vernome, meene hij noch tot Amsterdam is; soo mij yet verders van hem vooren comt, sal uE. dat deelachtych maecken. Bidde uE. mij openynge doe op wat voet men soude mogen gaen, opdat ick bij alle occasie sie off dat onder den man wil. D'excessen van de remonstranten dienen vooral geweert; maer wie sal autoriteyt hebben om haer in den toom te houden? Sij sijn veel licentie gewent. Van wat meenynge Utenbogaert33 daerin is, wilde ick wel weten; die sal daer meest bij vermogen. Ben blijde dat uE. de eenycheyt, die uE. met sooveel swarycheyt heeft gesocht, noch behertycht. Het is de eenyge vastycheyt van onsen staet, daer ons particulier welvaren aen vast is.

    De voorleden weecke is in Zeelant ingecommen van de cust van Coromandel het schip Schoonhoven, wiens ladynge waerdych is boven de seven tonnen gouts; drie Engelsche schepen hebben dat tot ontrent Oostende achtervol[ch]t.34 De misverstanden tusschen de onse ende de Engelsche sijn noch even groot, ende hier is geen courage om daertegens te kanten, dat groote onlust bij de bewinthebbers tegens de regierders causeert. In de proceduren tegens de Engelschen in Amboina mach in de formaliteyten sijn gepecceert, gelijck in die quartieren weinych rechtsgeleerde off gestyleerde rechters werden gebruickt, maer de bewinthebbers seggen mij dat de Engelsche sijn overwonnen van notoire conspiratie met de Japonesen om de onse het fort te ontweldygen. Men heeft in Engelant repressaliën tegens de Compangie verleent, schepen om de haere aen te halen in zee gesonden. Den conynck versocht door sijn ambassadeur de rechters souden werden thuis ontboden; niettegenstaende het hart is luden die daer sijn gereyst om haer fortuin te maecken ende in goede bedienyngen sijn, vandaer te trecken, nochtans omdat de Staten seyden dat de repressaliën, sulckx sijnde geaccordeert, souden werden affgedaen, sij sijn beschreven. De repressaliën sijn echter gecontinueert. Een van de rechters overgecommen sijnde is tot Delff in sijn huis gesaiseert ende moet daer blijven tot de andere overgecommen sijn,35 hetwelck apparent wel twee jaren aenlopen sal. Een bode compt driemael daechs sien off hij daer blijft. Dit heeft mede niet mogen helpen.

    273

    Den generael Coenen36 is ten versoucke van de conynck, mede om de repressaliën te doen cesseren, van sijn reyse gehouden. Continueren niet jegenstaende, contrari haer belofte, de repressaliën; begeeren die niet aff te doen voordat men haer contentement hebbe gegeven op de naervolgende drie pointen: 1. Dat se haere goederen ende persoonen sullen mogen wt de plaetsen, daer se met de onse woonen, elders, sonder tol ende exue37 te betalen, transporteren. 2. Dat de Engelsche voortaen niet sullen staen onder de jurisdictie van de Compangie, maer voor den raet van defensie, off, soo het daer niet conde werden geassopieert, dat het voor beyde de compangiën soude werden gebracht, ofte eyntelijck voor den conynck en de Staten. 3. Dat se sullen mogen bouwen forten op alle plaetsen daer se willen, mits blijvende thien Engelsche mijlen van de onse. De Compangie accordeert haer te mogen sonder tol ofte exue vertrecken, mits dat sij alvoren betalen hare schulden. Seggen op het tweede point, dat het stuck van politie ende jurisdictie gereserveert [sijnde] aen de Compangie, alle questiën die tusschen de compangiën en corps sullen vallen, sullen staen aen den raet van defensie, die geen jurisdictie en heeft. Consenteren op het derde point dat se forten mogen bouwen in alle plaetsen van Indiën, mits dat sij blijven buten Moluques, Amboina ende Banda ende alle andere plaetsen de Compangie toebehorende, 'tsij bij besit ofte contracten exclusyff, ende in allen gevalle thien Neerlantsche mijlen van onse forten. Het verschil is noch groot, ende hebben de ambassadeurs extraordinaires ende ordinaires last den conynck te instrueren.38

    Gelijck men hier over de enorme proceduiren van de Engelsche claecht, soo bedanckt men hem van de civiliteyt van de Franse. Het different gevallen over het schip l'Esperance van Diepe is verbleven aen gedelegeerde rechters, die in de kennisse van die saecke getreden sijn.39 Den ambassadeur d'Espesses draecht hem daerin seer moderaet ende laet selffs in presentie van de onse de sijne niet ongelijck te geven, daer sij buten de reden gaen. Dese dagen, soo men hem een beurse met gout wilde vereeren, heeft die gerefuseert, genouchsaem met indignatie ende, soo aen sijn aensicht bleeck, met alteratie; seyde hetgene hij dede ten dienste van sijn conynck te doen ende sijn actiën suspect souden sijn soo hij daervoor recompensie genoot; dat hij sijn Majesteyt daer wel van wilde adviseren, ende soo die het goet vont niet soude refuseren.40 Den eet is de Engelsche voor de Franschen affgenomen, niet door den prins, maer gedeputeerde van de Staten; het hadde wel anders mogen ende behooren geschiet te hebben.

    Den ad[vocae]t Strijen41 sent eertsdaechs sijn soon derrewaerets; sal uE. commen salueren. Soo de vader uE. niet bekent en waer ende boven sijn eygen meriten om de goede gunste die hij uE. ende de goede saecke draecht, meriteerde dat van hem compt uE. aengenaem te sijn, ick soude uE. recommanderen hem soo goeden acceuil te doen als mogelijck is.

    Ick hebbe noch desen morgen met Strijen ende Verdoes nopende het veranderen van den eet gesproocken; seyden daer geen swarycheyt in te vinden. Verdoes seyde dat hij de woorden van den eet, in de commissie als generael gestelt, hadde geëxamineert ende be-

    274

    vonden dat se bequame interpretatie admitteerden.42 Hier wert gelooft dat die van Breda capituleren. De frontieren werden op veel plaetsen met garnisoenen versien. Mansvelt schijnt dat vertrecken sal, versouckt wagens en volck om hem te geleyden.

    Recommandere mij hiermede aen mijn suster ende blijve,

    uE. dienstwillygen broeder,
    N. v. Reigersberch.

    Wt Den Hage, desen 2 Juny 1625.

     

    De vrou van Harinckenspel43 doet haer gebiedenisse.

    Adres: A monsieur/monsieur Grotius, à Paris.

    In dorso schreef Grotius: 2 Juny 1625.

    In dorso staat in een onbekende hand: Meest alle van Van Meeden.44

    In de marge staat: 7 tonnen.45

    Notes



    1 - Hs. Rotterdam, GB, RK, no. 1703: 15, eigenh. oorspr. Gedrukt in Rogge, Br. van N. v. Reigersb., p. 47-54 (no. 985 (dl. II)).
    2 - Jacob van Wassenaar van Du(y)venvoorde uit de Hollandse Ridderschap, Jacob van Broeckhoven, oud-burgemeester van Leiden, Jacob Simonsz. Schotte, burgemeester van Middelburg, Johan Claesz. Backer, burgemeester van Goes, en Arnold d'Altena, burgemeester van Vlissingen. Op 2 juni werd Frederik Hendrik in Waalwijk als stadhouder van Holland en Zeeland beëdigd. Op 24 april 1625 was hij al beëdigd als kapitein-generaal en admiraal-generaal der Unie. Zie J.J. Poelhekke, Frederik Hendrik, Prins van Oranje, p. 90; Res. SG (1610-1670), VII (1624-1625), p. 344-345, en ‘Stukken betreffende de verheffing van Frederik Hendrik tot gouverneur en kapitein-generaal en admiraal’, in: Kronyk HG 22 (1866), p. 298-315, hier p. 304-305.
    3 - Wellicht verwees Reigersberch naar nos. 971 en 975 (dl. II). De laatste, omstreeks 1 mei 1625 geschreven brief was aan Frederik Hendrik gericht.
    4 - Misschien stelde Reigersberch aan vader Jan de Groot voor Dierck van Noordingen, agent van de graaf van Oost-Friesland, als tussenpersoon te gebruiken.
    5 - Schuilnamen voor Cornelis Adriaensz. van der Mijle (Myle) en Simon van Beaumont of Nicolaes Cromhout. Vermoedelijk doelde Reigersberch met ‘het onthael van de voorgaende’ op de ontvangst door Frederik Hendrik van no. 962 (dl. II), dd. 4 april 1625.
    6 - Vergilius, Eclogae 9, 34. De verwijzing, in het vervolg van de brief, naar Reigersberchs ‘saecke’ betreft diens kandidatuur voor een zetel in de Hoge Raad; vgl. no. 1001 (in dit supplementdeel), n. 10.
    7 - Op 10 juni 1625 werd in de Staten-Generaal besloten de kinderen Hogerbeets toe te staan een regeling te treffen voor de verhuizing van hun vader naar het Huis te Woerden (Res. SG (1610-1670), VII (1624-1625), p. 412). Zie voorts de brieven van Rombout Hogerbeets aan Bernard Vezekius en Johannes Wtenbogaert, dd. 9 juli - 28 juli 1625, uitgegeven door H.C. Rogge in Kronyk HG 28 (1872), p. 353-360.
    8 - Gijsbert van den Boetzelaer, lid van de Ridderschap van Utrecht, gedeputeerde ter Staten-Generaal.
    9 - Rienck van Burmania, grietman van Ferwerderadeel, gedeputeerde ter Staten-Generaal, en François van Aerssen hadden op 16 juni afscheid genomen. Zij keerden in september uit Engeland terug (Schutte, Repertorium I, p. 5 en 91).
    10 - Kapitein William Saint Leger (Sellynger), gehuwd met Gertrude Cornelisdr. de Vries, een zuster van Elisabeth de Vries, echtgenote van John Ogle. Zie voor de missie van Saint Leger CSP Ven. 1625-1626, p. 68.
    11 - De Engelse bevelhebbers Edward Cecil en Horatio Vere.
    12 - Ernst, graaf van Mansfeld-Heldrungen, markies van Castelnuovo en Buttigliera.
    13 - Cornelis Jansz. Harti(n)gsvelt († 1641), koopman en haringreder, vroedschapslid van 1617-1641.
    14 - Daniël de Hertaing, heer van Marquette, lid van de Hollandse Ridderschap, luitenant-generaal van de cavalerie. Zie voor de aanslag op het vijandelijke konvooi Het Staatsche leger III, p. 137.
    15 - Ernst Casimir, graaf van Nassau. Hij had drie zoons, Hendrik Casimir, Willem Frederik en Maurits.
    16 - Johan, graaf van Horn, heer van Kessel.
    17 - Johan Wolfert van Brederode, heer van Vianen, Kloetinge en Ameide, kolonel in het Staatse leger.
    18 - Jacob Wyts, onder Frederik Hendrik sergeant-majoor-generaal.
    19 - Leonard Pietersz. Busch († 25 december 1650) en Jan Jansz. Snaets (Engelbrecht, De Vroedschap van Rotterdam, resp. p. 157-158 en 114).
    20 - Arend (van) Dorp (ca. 1599-1652), hofmeester, en Daniel Marlot (Merlot, Morlot), stalmeester van Maurits.
    21 - Zie voor de raden van Maurits J.W. Zondervan, ‘Montens, Panhuysen en Vosbergen, verwante vertrouwelingen van prins Maurits’, in: Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie 39 (1985), p. 135.
    22 - Vermoedelijk doelde Reigersberch op griffier (Cornelis?) Wijnants (Worp, De gedichten van C. Huygens II, p. 148).
    23 - Johan de Knuyt.
    24 - Met ‘Brouwer’ bedoelt Reigersberch Thomas Brouart († 1635), sinds 23 mei 1625 tresorier en rentmeester-generaal van Frederik Hendrik. Zie Briefw. C. Huygens I, p. 2 en 270, waar ook vermeld wordt dat deze Brouart met zijn tweelingbroer Joannes zoogbroeders van Frederik Hendrik waren geweest. Omdat De Knuyt eerst als tresorier had gediend, moeten de woorden ‘voordesen sijn thresaurier’ op een verschrijving berusten.
    25 - Vermoedelijk mr. Jacob van der Does (Verdoes) (1575-1630), die later de functies van raad en griffier onder Frederik Hendrik combineerde (Elias, De Vroedschap van Amsterdam I, p. 325-326; H.P. Fölting, De Vroedschap van 's-Gravenhage, p. 114, en J.J. Poelhekke, Frederik Hendrik, Prins van Oranje, p. 134).
    26 - Pieter van Borre (Born) († 9 oktober 1632), raad van Maurits en Frederik Hendrik, lid van de Raad van Brabant (De archieven van de Nassause Domeinraad 1581-1811, red. M.C.J.C. van Hoof, E.A.T.M. Schreuder en B.J. Slot, Algemeen Rijksarchief, Den Haag 1997, p. 133).
    27 - Eric Dimmer, raad van Maurits en Frederik Hendrik.
    28 - Cornelis van Aerssen (1600-1662) (NNBW III, kol. 8-10).
    29 - Johann Ernst, hertog van Saksen-Weimar.
    30 - Reigersberch herinnert hier aan de protectie door Johan van Oldenbarnevelt van familieleden als Cornelis van der Mijle (Myle) en Willem van Oldenbarnevelt, heer van Stoutenburg. De laatste had ooit als ritmeester van een Overijssels regiment gediend.
    31 - Jean Doucher (1573-1629), sinds 1620 predikant van de Waalse gemeente te Amsterdam (BWPGN II, p. 568-570).
    32 - Caspar van Vosbergen.
    33 - Johannes Wtenbogaert.
    34 - De ‘Schoonhoven’ was op 29 mei 1625 in Zeeland gearriveerd. Vgl. Dutch-Asiatic shipping in the 17th and 18th centuries III, p. 26-27.
    35 - Laurens de Maerschalck, als raad van Amboina in 1623 betrokken bij de veroordeling van een aantal Engelsen aldaar (‘Ambonse moord’), kreeg in Delft huisarrest opgelegd (Res. SG (1610-1670), VII (1624-1625), p. 353-355).
    36 - Jan Pietersz. Coen.
    37 - Lezing onzeker. Vermoedelijk wilde Reigersberch eerst schrijven ‘excise’, in de betekenis van accijns (WNT III, kol. 4313). Zie voor de term ‘exue’ (‘droit exigible d'un bourgeois qui quitte sa demeure et abandonne par le fait même sa bourgeoisie pour aller habiter une autre localité ...’) N. Wijdeveld et al., Glossarium van oude Franse rechtstermen, Amsterdam 1983, p. 78 en 110.
    38 - Vgl. voor de ambassade naar Engeland supra, n. 9. Albert Joachimi, die met Aerssen en Burmania zou afreizen, zou als ordinaris ambassadeur achterblijven.
    39 - Zie voor de rechtszaak tussen Dieppe, thuishaven van de ‘Espérance’, en de Oostindische Compagnie Res. SG (1610-1670), VII (1624-1625), p. 366.
    40 - Zie voor de donatie aan Charles Faye, heer van Espesses, ambassadeur van Frankrijk, Res. SG (1610-1670), VII (1624-1625), p. 390.
    41 - Mr. Quirijnus Adrianus van Strijen uit Delft (1575-1656), gepromoveerd te Leiden op 3 november 1597, sinds 1620 stadsadvocaat van Amsterdam in Den Haag (R. Huijbrecht et al., Album advocatorum. De advocaten van het Hof van Holland 1560-1811, p. 301). Zijn zoon Cornelis (1604-1679) zou Grotius in Parijs bezoeken; vgl. no. 1079 (dl. III).
    42 - Vgl. supra, n. 2. Zie voor Grotius' belangstelling voor de overdracht van Maurits' bevoegdheden op Frederik Hendrik no. 963 (dl. II).
    43 - Waarschijnlijk de vrouw van Claes Jacobsz. van Harencarspel, lid van de vroedschap en schepen van Amsterdam.
    44 - Schuilnaam van Johannes Wtenbogaert.
    45 - Deze notitie, die verwijst naar de waarde van de lading van de ‘Schoonhoven’ (supra, n. 34), is vermoedelijk van de hand van Grotius.