Mijnheer,
Uwer Ed. twee brieven van den 29 September ende 6 October2 zijn mij beide op eenen tijd, te weten den 14 October, ter hande gecomen. Bedancke uwer Ed. voor de tijdingen. Ende omdat uwe Ed. wel zegt dat alles in deze tijd de penne quaelijck can werden vertrouwt, zoo zal ick mijne redenen van het uitgeven van de twee Fransche brieven3 spaeren tot onze t'zamenspraecke, biddende uwe Ed. gelijck ick voor dezen heb gedaen een bequaemen tijd te willen nemen om ons te bezoucken.4 Middelertijd zal d'heer van Zulichem zyn dat grooter ende wijzer personen als hij mij houden ‘pour un honnest homme’5 ende monsieur Rivet dat men van mij met geen apparentie en can zeggen 'tgunt eenige van hem zeggen, dat hij niet als
474
proffijt en zoect met zijne religie.6 Wat aengaet de propoosten gehouden bij den ambassadeur van Polen, ick mercke dat uEd. die niet zoo wel en hebt onthouden als die staen in uEd. brief aen mij op dat stuck geschreven,7 die oock ter noot zal te passe comen, bijzonder tegen monsieur Rivet, die zoo fraei mijne brieven, die aen hem niet en zijn geschreven, weet te becomen ende uit te geven.8Den 17 October 1642.
In dorso schreef Reigersberch: Broeder de Groot, den 17 Octob. 1642 uyt Paris. Warom den brieff van sijne Hoocheyt is uytgegeven.