270
Mijnheer,
De dispute tusschen Scarinus2 ende Gert3 ende de resolutie, die daerin is getoont, is voor Humelus4 seer dienstych geweest om hem met Vranckerijck5 wel te stellen, daer alreede soo grote verwijderynge was, dat de conynck van Vranckerijck6 ordre hadde gegeven om Golilas'7 brieven bij Vilmerus8 met opentlijcke aenclachte alle gelooff te benemen, waervan ick niet(?) seecker ben onderrecht, soodat uyt het quaet van die onlust, die noch duyrt, dat goet is gevolcht, dat men met sachte middelen alles heeft willen remediëren. Ick hope mede, gelijck ick oock daertoe arbeyde, dat die goede intelligentie duyren mach, waer ick Brasset9 genegen toe vinde. Oock soo mercke ick, dat Humult10 die omsichtichheyt gebruyckt, dat in plaetse [als] tevoren copie gewent was te geven van de brieven, soo die bij Golilas waren geschreven, nu elck point in een artyckel doet stellen gelijck off het excerpta waren, hoewel van woort tot woort gelijck Humelus hetselve heeft ingestelt.
Sedert de tijdyngen, die ick uEd. voor desen hebbe medegedeelt, brengt een schip gecommen tot Amsterdam van Port à Port, dat aldaer een barque uyt Brasil was gearriveert relaterende, dat die van de Bahia tusschen Pariba ende Tamerica seshondert mannen hadden gelant, twee ingenios verbrant, die alle te samen van de onse daernaer sijn omcingelt ende doot geslagen. De seeckerheyt moet met de scepen van de compangie worden verwacht11.
De Sweetse ambassade, daertoe de heeren Boreel, Sonck ende Aloue12 uyt Vrieslant haer praepareren, gaet eerstdaechs voort; hare instructie, die bij seven gedeputeerden uyt de Generaliteyt sonder verder communicatie is ingestelt, wert seer secreet gehouden.
Denemarcken maeckt mine, off het hem tot oorloge wilde prepareren, waertoe is ingestelt een placaet, verbiedende de ingesetenen in vremde princen dienst te gaen ende revocerende die alreede haer daerin hebben begeven, doch is hetselve noch niet gepubliceert. Dat den keyser ende Spaengiën dapper onder dat werck speelen, wert claer gesien; des te voorsichtyger by desen staet moet werden gegaen.
Sijne Hoocheyt is saterdachavont voorleden met een groot deel van de vlote voor Rammekens gearriveert, daer de reste op volchde; de opinie loopt, dat de landynge in het vaste lant van Vlaenderen sal geschieden, alsoo meest al de ruyterie wert gescheept, die in het lant van Hulst ofte ontrent het Sas geen dienst soude connen doen. Van voetvolck is sijne Hoocheyt sterck tweehondert tachtentych compangiën. Het voornemen wert geordeelt seer groot te wesen, Godt Almachtych wil het segenen.
271
De Duytsche macht schickt men hier noch al naer Ceulen ende vergadert Milander13 sijn volck ontrent Lipstat.
Desen 14 Mey 1640.
Adres: Mijnheer Mijnheer de Groot, Ambassadeur van de coninginne ende crone van Sweeden bij den Alderchristelicksten conynck.
Boven aan de brief schreef Grotius: Rec. 24 May.
En in dorso: 14 May 1640. N. Reigersberg.