eLaborate
::: eLaborate options :::
    Show pagebreaks
    Show variations
    Search



    Searchform

    Fulltext search

    Search domain

    Search site
    Search current document

    Letter



    6256. 1643 juni 13. Aan W. de Groot.1

    Mi frater,

    Bene opto tibi consilium de liberis tuis2 procedat. Utinam iam eius essent aetatis et profectus ut ego ipsis utilis esse possem. Ita de nobis es meritus ut nihil malim.

    Avebo intelligere quid dominus Vossius agendum censeat in re Riveti, Simplicii, Campensis, Borboritae. Nam Laurentiades satis vapulavit.3 Ego adhuc persto in proposito tacendi et ea quae ad rem pertinent, differendi donec Annotationes ad utrumque Testamentum exeant.4 De poematis et Anthologia rogo nullum tempus sinas perire.5 Incerti sumus quantum vitae nobis Deus sit daturus, et velim quamplurimum prodesse posteris, adiutus ipse tot aliorum laboribus. Sorbonae iudicium de Bonaventurae Psalterio6 quaeram et mittam.

    In aula mutatio7 rebus, ut arbitror, Suedis nihil nocebit. Nam excusante se Butilerio aerarii praefecturam accepere Davausius, Suediae beneficiorum, ut spero, non immemor, et praeses Baliolus, amicus summus domini Vicquefortii. De episcopo etiam Bellovacensi, futuro, ut creditur, cardinali, omnes bene existimant. Et fortium consiliorum egregia habemus pignora post proelium ad Rocroium, captas arces et oppida Malbodium et Binchium. Etiam in Catalaniam pecuniae magnae mittuntur.

    In Notis ad Lucanum satis video non bonis correctoribus uti Blavium;8 multa enim peccata sunt. Dabis exemplaria tibimet, Petro, Reigersbergiis tribus9 et si plura erunt quibus voles. Si qua huc veniunt, inter veteres amicos distribuam.

    325

    Vale, frater optime, cum uxore et liberis. Valde avebo tuas habere post reditum ab Amstelodamo,

    tibi obligatissimus frater,
    H. Grotius.

    13 Iunii 1643.

     

    Occasione data ad me remittas velim illa ad synodum Alensoniensem.10

    Notes



    1 - Gedrukt Epist., p. 955 App. no. 657. Antw. op no. 6242, beantw. d. no. 6276.
    2 - Hoewel Willem de Groot zijn zonen Johan en Jacob op 10 februari 1643 had laten inschrijven aan de Leidse universiteit, vond hij ze blijkbaar toch nog te jong om te laten deelnemen aan het academisch leven. In de laatste week van mei brachten hij en zijn vrouw Alida Graswinckel hen weer terug naar het Athenaeum Illustre in Amsterdam (Album studiosorum Acad. Lugd.-Bat. I, kol. 337).
    3 - De Amsterdamse hoogleraar Gerardus Joannes Vossius leek niet veel lust te hebben om uitgebreid commentaar te leveren op het werk van Grotius' critici André Rivet, Joannes Simplicius (Jonas Schlichting), Robertus Jansonius Campensis en de Groninger hoogleraar Samuel Desmarets (Borborita). In de zaak van de Amsterdamse predikant Jacob Laurentius was hij in het verleden misschien wat al te loslippig geweest; vgl. nos. 5752, 5801 en 5853 (dl. XIII).
    4 - In zijn nog te verschijnen Annotationes op het Nieuwe Testament (BG nos. 1138 en 1141) zal Grotius kort commentaar leveren op de kritiek van zijn tegenstanders.
    5 - Nog steeds wist Grotius niet waar zijn poemata en Anthologia Graeca (BG no. 534) gedrukt zouden worden.
    6 - Jacob Laurentius had voor het opstellen van zijn Idolum Romanum. Paepschen af-god, dat is, wederlegginge van de verdedinge des paepschen psalters van Bonaventura, nu onlanghs uyt-gegeven onder de naem van eenen Fabricius van Eyndhoven ... Toe-ge-eygent den heer Hugo de Groot (BG no. 297 en BsG no. 323) een door de Sorbonne verworpen tekst benut; vgl. nos. 6166 en 6224.
    7 - Deze berichten komen ook voor in Grotius' nieuwsbrieven van 13 juni.
    8 - Op 1 juni had de Amsterdamse uitgever dr. Joan Blaeu aan Willem de Groot de eerste exemplaren van Grotius' nieuwe aantekeningen bij Lucanus (BG nos. 430 en 431) getoond. Tien dagen later arriveerde in Parijs het lang verwachte auteursexemplaar.
    9 - Op het lijstje plaatste Grotius de namen van Willem de Groot, zijn zoon Pieter de Groot, zijn zwager Nicolaes van Reigersberch en diens neven Pieter (1612-1661) en Johan (1613-1666); vgl. nos. 5061 en 5441 (dl. XII).
    10 - De teruggave van de tekst met de geboden die koning Lodewijk XIII door zijn commissaris Saint-Marc had laten afkondigen op de nationale synode van Alençon (1637); zie no. 6120, Willem de Groot had het stuk opgeborgen in het ‘dossier Rivet’.