Mijnheer,
De guarde van sijne Hoocheyt2 arriveerde gisteravont in Den Hage, sijnde het leger door de menychte van siecken genootsaeckt geweest te scheyden.
Op de Engelsche ambassade3 is noch niet gedisponeert. De coninginne van Bohemen hout de verlossynge van prins Robbert4 seecker ende kan wel wesen dat sooverre contentement gegeven is aen den ambassadeur van Engelant5 om hem vorder te doen hopen ende hem alsoo te slepen naer Weenen, daer men seecker hout dat sijne Ex.tie gaet om over de saecken van den Pals te handelen.
Den conynck van Engelant wiert noch opgehouden in Schotlant, daer het parlement geen contentement en nam in de directeurs bij den conynck genomineert6 om in 't affwesen van den conynck sijne saecken in dat rijck waer te nemen, sijnde de Schotten ende Engelsche nu niet vorder gewent den conynck te gehoorsamen als hij hem confirmeert in sijne commandementen naer hare intentiën ende humeuren. Die de kerckelijcke veranderynge voorhebben, rusten in Engelant noch niet. In Schotlant heeft den conynck de geestelijcke sooverre ingevolcht, dat
588
niet alleen alle de biscoppen sijn geremoveert, maer oock volgens het gebruyck, soo sij seyden sedert de reformatie bij hare conyngen gepleecht, een capittel naer de maeltijt heeft doen lesen ende een psalm doen syngen. Lesle7 wert gedestineert generael van der Pals leger, waertoe men meent het parlament wederom vergaderende gelt sal verschaffen.Monsieur d'Avaux8 verseeckert de goede intelligentie tusschen de Sweden, Hessische ende Lunenburchse ende was Mortainge,9 colonnel bij de Sweetse officieren affgesonden, van Hamburg vertrocken met vijffhondertduysent rijxdaelders ende goet contentement. Tortenston10 was aen de Elve gearriveert, die drieduysent van de nieuwe troupes naer Stalhans11 hadde gesonden. Picolomini, niet connende in het lant van Brunswijck subsisteren, hadde sijne winterquartieren in Bohemen doen maecken.
Dat is sooveel als aengaet het publyck, waerbij ick moet vougen voor uEd. particulier, dat den persoon die mij de eerste advertentie heeft gegeven van de communicatie van Felix'12 brieven bij Aelianus13 gedaen, mij in confidentie heeft gewaerschout dat tegens Felix yet wert gemachineert ende, sooveel hij heeft gehoort, die seer nauw weet watter omgaet, soude de meenynge wesen den man uyt Engelant14 te brengen ontrent Felix, gelijck Aelianus hier was gecommen ontrent Valerius,15 ende den soon16 te stellen in Engelant in de vaders plaetse. Hetgene vorder verneemt, heeft belooft mij mede te communiceren. Van niemant anders is mij tot noch toe daer niet van voorgecommen. Soo uEd. oordeelt bij Iovinianus17 yet dient gedaen ofte yet nader te werden vernomen, sal op alle occasiën vigileren. Het sal goet wesen op alles te blijven voordacht ende dat ick weet wat tale ick met die man, die mij verseeckert soo veel hem is bekent Felix daer hij is contentement geeft, sal moeten houden.
Desen 22 Octob. 1641.
Adres: Mijnheer mijnheer de Groot, raedt ende ambassadeur van de coningin[n]e ende crone van Sweden bij den alderchristelijcksten conynck.
Bovenaan de brief schreef Grotius: Rec. 21 Oct. [sic] 1641.
En in dorso: 22 Oct. 1641 N. Reigersberg.