eLaborate
::: eLaborate options :::
    Show pagebreaks
    Show variations
    Letter



    6678. 1644 januari [30]. Aan W. de Groot.1

    Mi frater,

    Non puto multum effecturos legatos vestros in Anglia2 nisi rex, Scotorum metu et spe Danici auxilii amissa, ad alia se consilia vertat; cuius tamen rei nulla hic videmus indicia. Suedorum magna sunt coepta, sed magnae etiam in eos brevi surrecturae sunt copiae.3 Deus cuncta dirigat ad bonum orbis christiani. Batavi non habent cum Dano commercia, faciliter prementi faveant.4 Vides apud vos etiam supplicationum dies in aulae gratiam verti.5

    Didericus Tubingae adhuc est sub cautione.6 Scripsi ego ad ducem Bavarum, item ad Johannem Waertium et Ketnerum,7 quos noris,8 ut filius noster liberetur inter primos. Sed literae eae nondum eo pervenere. Ipse captus est ab iis qui Merciaco subsunt;9 quare

    79

    si quis Merciaco notus pro Diderico volet scribere, grata erit opera. Cornelius an quid cum Venetis confecerit, nondum scimus.10 Vicquefortium pecunias sub se habere Vinariensis, quod ipse negat, multi mihi pro certo affirmant. Et mihi promiserat se pecunias non a se abdicaturum, nisi Diderico satisfactum esset. Non aequum est nos per eius fidem damnum adire, quare omnia tentate.11 Editiones tibi commendo,12 te, uxorem, liberos Deo,

    tibi obligatissimus frater,
    H. Grotius.

    20 [sic] Ianuarii 1644.

    Notes



    1 - Gedrukt Epist., p. 962 App. no. 688. Antw. op no. 6655, beantw. d. no. 6698. De dagtekening ‘20 Ianuarii’ berust op een leesfout.
    2 - De Staatse ambassadeur Albert Joachimi en de extraordinarii Willem Boreel en Johan van Reede van Renswoude waren in de avond van de 27ste januari in Londen gearriveerd. Zij wachtten nu op een paspoort dat hen in staat stelde om de koning in Oxford te bezoeken (CSP Ven. 1643-1647, p. 67).
    3 - De vrees dat de keizer en koning Wladislas IV van Polen de Deense vorst militaire bijstand zouden verlenen; zie nos. 6657 en 6665.
    4 - Koning Christiaan IV merkte in zijn boodschap aan de Staten-Generaal van 25 december/4 januari 1644 op dat ‘hij éér der hemelen val als desen oorlogh hadde vermoedt’ (Aitzema (fo) II, p. 947). In hun antwoord boden ‘hare Hoogh Mogenden’ de strijdende partijen Staatse bemiddeling aan (Fridericia, Danmarks ydre politiske historie II, p. 405 en p. 411-412).
    5 - De Staten van Holland hielden na het kerstreces een dankdienst waarin met gepaste trots aandacht werd besteed aan ‘prince Wilhelmus' eerste victorie’.
    6 - Grotius had inmiddels een tweede ‘Tübingse’ brief van zijn zoon Dirk ontvangen; zie no. 6663.
    7 - Zie nos. 6659 en 6660. De brief aan de Beierse generaal Johan van Werth is niet teruggevonden; vgl. H. Lahrkamp, Jan von Werth, p. 138.
    8 - Willem de Groot had zijn broer in het eerste jaar van diens ballingschap gezelschap gehouden (no. 630 (dl. II)). Tijdens zijn verblijf in de Franse hoofdstad kan hij voorgesteld zijn aan de Beierse resident Georg Johann Kütner.
    9 - De Frans-Weimarse officier Dirk de Groot werd vastgehouden door het Zwabisch-Beierse regiment van François of Gaspard, baron de Mercy; zie no. 6606 (dl. XIV).
    10 - Een dag later, op 31 januari, kreeg Grotius de brief aangereikt die zijn zoon Cornelis op 8 januari 1644 in Venetië had geschreven (no. 6635).
    11 - De pogingen van de familie om de Hessische resident Joachim de Wicquefort te verplichten tot uitbetaling van het legaat dat Bernhard, hertog van Saksen-Weimar († 18 juli 1639), zijn officier Dirk de Groot had toegedacht. Zonder het resultaat af te wachten van de besprekingen die Willem de Groot en Nicolaes van Reigersberch in Den Haag voerden, eiste Grotius plotseling inzage van de documenten op; zie nos. 6655 en 6663.
    12 - De uitgave van de Anthologia Graeca (BG no. 534) en de poemata.
    Search



    Searchform

    Fulltext search

    Search domain

    Search site
    Search current document

    [text]
    [text]
    [text]