eLaborate
::: eLaborate options :::
    Show pagebreaks
    Show variations
    Letter



    6650. [1644 januari 16]. Aan N. van Reigersberch.1

    Mijnheer,

    Gelt is hier hoochnoodigh, zoo om 't verstroide leger te herstellen, waertoe twee millioenen gereed van doen zijn, als om La Motte-Odincourt te verstercken2 ende Lerida te fortifiëren, zoo die plaetze niet alrede bij de Spaignaerden is belegert, gelijck eenige geloven.3 De nieuwe impositië[n] op de gemeente willen niet wel voort, jae, men heeft die van Poictou om de oproerten te stillen daervan moeten ontlasten. In Bourgogne heeft den prins van Condé geene consenten tot middelen connen tewegebrengen vanwegen de armoede van de provincie.4 Monsieur d'Avaux [schrijft] dat dieghene die veel bij de croon geproffiteert hebben haere liberaliteit nu zouden toonen, zeggende dat hij hoewel niet veel gewonnen hebbende presenteert hondertduizent croonen.5 Maer de machtigste ende rijcxsten willen daer niet aen ende heeft mijnheer d'Avaux met dat schrijven weinigh dancks behaelt. Men zoeckt het gelt te vinden uit multiplicatie van officiën ende door dreigementen aen de financiers ende partisanen.

    Hazfeld6 ende hertogh Carel trecken groote contributiën ende maecken haer ge-

    43

    reed tegen de voorzomer. Daerentusschen en laet hertogh Carel niet hier te luisteren nae een accoord,7 maer wilt zich niet verclaeren tegen den keizer, het Rijck ofte het huis van Oostenrijck, zeggende leenen te hebben in haere landen waervan hij zich in peryckel zoude stellen. Presenteert neutraliteit, midts dat men hem Marsal daetelijck wedergeeft8 ende Nancy nae de vrede, in zulcken staet als die nu zijn. Begeert dat de justitie over Lorraine werde geadministreert te Saint-Mic[he]l op den naem van den coning ende de zijne.9 Vanwegen den vorst van Beieren zegt zoo Vrancrijck wil beloven zijne landen in vrede te laeten, dat hij oock zijn volck tot invasie van Vrancrijck niet en zal leenen, maer zoo eenige stucken van het Rijck werden aengetast, dat hij eershalve niet en zal connen laeten dezelve te beschermen.

    Den heer Goryn zoect hier geen volck maer credyt,10 dat is dat Vrancrijck borge wil blijven voor het gelt dat hij bij particulieren zal vinden ende betaelen als de vrede in Engelant zal herstelt zijn. Wij verstaen dat d'heer Carlile11 ende eenige anderen den coning van Engelant hebben verlaeten ende haer begeven bij de parlamentarissen. Van den hertogh van Hamilton12 ende eenige Schotten met hem is de opinie dat zij haerzelve hebben laeten condemneren bij den raet van Schotlant door collusie om bij den coning te meer credyts te hebben ende zijne desseings te vernemen. Door de inval van de Sweden in de landen van den coning van Denemarcken zal den coning van Engelant zich versteecken vinden van een groote hoope van secours.13 Tot Francfort is op de tijding van denzelven inval groote verslagentheit geweest. Bij de vergadering die zich daer hout is een brief aen den keizer geschreven in faveur van de Paltzische churfurstinne-weduwe ende van den hertogh van Zimmeren.14 Tot den brief die volgens 't advys van den hertogh van Beie-

    44

    ren15 beworpen was om te zenden aen den coning van Denemarcken aengaende de principale Paltzische zaecke, heeft den churfurst van Brandenburg16 niet willen consenteren. Men had daer groote vrese voor Ragosky ende d'Hongersche protestanten.17

    Den paus heeft den bailiu van Valencé, die lieutenant is van zijne armeën, cardinael gemaect ende noch eene jesuyt.18 De hertoginne van Savoye wil haere zaeck in andere handen niet geven, maer zelff doen handelen tot Munster.19 Den bisschop van Basle zoect protectie aen de Zvitzers.20 't Principale quartier van den vicomte de Turaine is bij Tuffac.21

    Hier te hove wil men den hertogh van Bouillon niet kennen als een prins van 't Duitsche Rijck.22 Den grave van Harcourt,23 geen groote hoope hebbende van de vrede in Engelant tusschen den coning ende 't parlement te maecken, tracht eenigh verbont te maecken met den coning, maer tegen Spaignie zal zich dat hof niet laeten engageren.

    Ick zende hierbenevens gedruckt een verhael van d'oorzaecken van het ongeluck tot Dutlinguen,24 zulcx mijn zoon mij dat gezonden heeft uit de gevanckenisse te Tubin-

    45

    gue.25 Den Grooten Heer eischt van die van Venetië tweeduizent slaven die haer in Candie26 hebben gesalveert. De coninginne-regente alhier doet scherp onderzoeck op dieghene die coren hebben uit het rijck gevoert. 't Hoff is zwanger van zeven nieuwen ducs et pairs, waeronder zoude zijn den marescal de Chastillon.27 Maer het parlement doet oppositie, zeggende dat door de menichte de eer zal vervallen. De hertoginne van Mombason ende monsieur de Chasteauneuf comen naerder bij Parijs.28 Alsoo de zaecken van Poictou zijn geaccommodeert,29 zoo gaen de regimenten die daer waeren nae Catelagne, ende zoowel den hertogh van Orleans30 als den cardinael Mazarini lichten nieuwer.31

    De Barbaryns willen gewapent blijven om een paus, als den tijd zal gecomen zijn, te maecken nae haere zin, 'twelck 't meeste belet is van de paix van Italië.32 Prince Thomas verzoeckt dat aen den hertogh van Savoie gerestitueert mogen werden de plaetzen die Vrancrijck inheeft.33 Vrancrijck presenteert Pontdesture te demoliëren, de andere plaetzen weder te geven, mids behoudende Pignarole, Suza ende Demont.34 Hertoch Carel doet hier zeggen door zijn volck35 dat hij twaelffduizent man in dienste heeft ende veel gelds te Venetië, te Hamburg ende op andere plaetzen.

    46

    In dorso schreef Reigersberch: Broeder de Groot, den ... Januari 1644 uyt Paris.

    Notes



    1 - Hs. Amsterdam, UB, coll. RK, H 35f. Eigenh. oorspr. Niet ondertek. Tezamen met no. 6649. Copie, afkomstig uit de briefwisseling van Grotius met P. Spiring Silvercrona, aanwezig te Stockholm, RA, E 1015 (bijlage bij een brief van P. Spiring Silvercrona aan J. Oxenstierna dd. 19/29 januari 1644).
    2 - Het Frans-Weimarse leger en het leger van Philippe (1605-1657), graaf van La Mothe-Houdancourt, Frans onderkoning in Catalonië 1642-1644 (Sanabre, La acción de Francia en Cataluña, p. 239-294).
    3 - In mei 1644 zette het leger van don Felipe de Silva de belegering van het Franse steunpunt Lérida in.
    4 - Henri II de Bourbon, prins van Condé, had als gouverneur de vergadering van de Staten van Bourgondië voorgezeten; zie no. 6640.
    5 - De Franse gevolmachtigde ter vredesconferentie Claude de Mesmes, graaf van Avaux, liet nog steeds zijn gezag gelden op het staatssecretariaat van financiën. Op zijn genereuze aanbod reageerde kardinaal Jules Mazarin in een schrijven van 16 januari 1644 met de opmerking dat met het aanvaarden van giften bij de vijand wellicht het geloof zou postvatten dat het land armlastig was en hierdoor des te eerder bereid zou zijn om voor iedere prijs vrede te sluiten (Lettres Mazarin I, p. 546-548).
    6 - Het leger van Westfaalse garnizoenssoldaten van de keizerlijke veldmaarschalk Melchior von Hatzfeldt und Gleichen kwam tot de ontdekking dat de beloofde winter- kwartieren in Frankenland reeds door Beierse eenheden in bezit waren genomen. Om aan proviand te komen organiseerde het plundertochten in het Wurtembergerland (Gazette 1644, no. 5, dd. 9 januari 1644).
    7 - Hertog Karel IV van Lotharingen, de zegevierende opperbevelhebber van de Zwabisch-Beiers-Lotharingse troepenmacht, had de door hem krijgsgevangen gemaakte Frans-Weimarse luitenant-generaal Josias Rantzau vrijgelaten en met een onderhandelingsopdracht naar Parijs gestuurd; zie no. 6639.
    8 - In het verdrag dat koning Lodewijk XIII op 29 maart 1641 met de hertog van Lotharingen had gesloten, was bepaald dat Marsal (plaats ten oosten van Château-Salins) ontmanteld moest worden; zie nos. 5083 en 5134 (dl. XII). De hertog verbrak reeds in de zomer van 1641 zijn beloften en koos de zijde van de keizer en de hertog van Beieren (Acta pacis Westphalicae; Instruktionen, p. 88-97).
    9 - Saint-Mihiel aan de Maas, het administratieve centrum van het hertogdom van Bar. Na de breuk met de hertog plaatste koning Lodewijk de Lotharingse goederen onder het gezag van het parlement van Metz; zie no. 5526 (dl. XII).
    10 - Lord George Goring, de buitengewone ambassadeur van koning Karel I in Parijs, vond krediet. Weldra kon hij melden dat in de haven van Duinkerken 20000 musketten gereedlagen voor verzending naar het koninklijke leger (CSP Ven. 1643-1647, p. 65).
    11 - Vermoedelijk John Holles (1595-1666), graaf van Clare (DNB XXVII, p. 169-170; CSP Ven. 1643-1647, p. 11 en p. 61, en The Parliamentary History of England III (1642-1660), kol. 189).
    12 - De Schotse royalist James, markies van Hamilton, hertog van Aran (Arran), had geweigerd de eed af te leggen op de ‘solemn league and covenant’ van 18/28 september 1643. Hij vluchtte naar Oxford, waar hij weinig gehoor vond voor zijn politieke plannen (CSP Ven. 1643-1647, p. 54, p. 61 en p. 65-67).
    13 - Het nieuws dat de Zweden op 12/22 december 1643 het hertogdom Holstein waren binnengevallen. De hovelingen van koning Karel I begonnen zich zorgen te maken over het wegvallen van de steun die koning Christiaan IV van Denemarken aan hun vorst beloofd had (CSP Ven. 1643-1647, p. 66).
    14 - Elisabeth Stuart, de ‘Winterkoningin’ (1596-1662), weduwe van keurvorst Frederik V van de Palts, en haar zwager Ludwig Philipp (1602-1655), paltsgraaf van Simmern, sinds 1632 administrator van de Palts (NDB XV, p. 415-416), hadden de Frankforter ‘Deputationstag’ gevraagd om in te stemmen met de restitutie van de goederen die de rijksstenden hen hadden toegewezen; zie no. 6546 (dl. XIV).
    15 - Hertog Maximiliaan I van Beieren was in 1623 door de keizer begiftigd met de keurvorstelijke waardigheid. Als geen ander verzette hij zich tegen het herstel van de keurvorstelijke familie van de Palts. Op die grond tekende hij bezwaar aan tegen de toelating van een Paltsische delegatie op de vredesconferenties te Munster en Osnabrück. Bij wijze van tussenoplossing stelde hij de keizer voor dat de kwestie van de Palts eerst intern in het college van de keurvorsten behandeld moest worden en tenslotte, ter afsluiting, in Munster.
    16 - Eerder had keurvorst Friedrich Wilhelm van Brandenburg ingestemd met de hervatting van de in juli 1642 afgebroken Regensburgs-Weense onderhandelingen over de Palts. Op de overeengekomen datum (17 oktober 1643) was alleen de Deense vredes-bemiddelaar Wilhelm Bidenbach von Treuenfels in Wenen aanwezig (Acta pacis Westphalicae; Die kaiserlichen Korrespondenzen I, p. 115-116 (met vermelding van een brief van keizer Ferdinand III aan de koning van Denemarken, dd. 27 oktober 1643, over een binnenkort te verwachten advies van de keurvorsten)).
    17 - György I Rákóczi, vorst van Zevenburgen, had op 16 november 1643 een verbond met Zweden gesloten. In februari 1644 zou hij met 6000 soldaten de Hongaarse grens overschrijden (Doc. Boh. VII, p. 69 no. 158).
    18 - Paus Urbanus VIII had zijn legerleider Achille d'Estampes-Valençay en de Spaanse jezuïet Juan de Lugo op 13 juli 1643 waardig geacht voor het dragen van het scharlaken. Hun verheffing liet hij op 14 december openbaar maken (Gauchat, Hierarchia catholica IV, p. 26, en Journal d'Olivier Lefèvre d'Ormesson I, p. 140 en p. 142).
    19 - Regentesse Christine de France verdedigde het Savoyaardse standpunt bij monde van haar gevolmachtigde Claudio Gerolamo Chabod (Chabo), markies van Saint-Mauris (S. Maurizio) (Claretta, Storia della Reggenza II, p. 77-82).
    20 - Johannes Henricus van Ostein, prins-bisschop van Bazel 1628-1646, had de katholieke kantons deelgenoot gemaakt van zijn misnoegen over de aanwezigheid van Frans-Weimarse eenheden in zijn bisdom (Vogel-Fechter, Eidgen. Abschiede V 2 1, p. 1300 en p. 1303).
    21 - De Gazette 1644, no. 7, dd. 16 januari 1644, meldde dat maarschalk Henri de La Tour d'Auvergne, burggraaf van Turenne, het hoofdkwartier van het Frans-Weimarse leger wilde vestigen in ‘Tuffac’ of ‘Ruffac’ (waarschijnlijk Rouffach, ten zuiden van Colmar).
    22 - Turenne's broer, Frédéric-Maurice de La Tour d'Auvergne (1605-1652), hertog van Bouillon, had in september 1642 afstand moeten doen van het prinsdom Sedan. Na het overlijden van koning Lodewijk XIII trachtte hij als erfgenaam van de familie van La Marck te bewijzen dat de Franse kroon niet het recht had om gezag uit te oefenen over grondgebied van een souverein vorst (Congar, Sedan et le pays sedanais, p. 158-159).
    23 - De Franse vredesbemiddelaar Henri de Lorraine, graaf van Harcourt, legde in Oxford nog een afscheidsbezoek aan de koning af.
    24 - De brief van de krijgsgevangen gemaakte Frans-Weimarse officier Dirk de Groot, dd. 20 december 1643, met in bijlage het verslag van Charles de Sainte-Maure, markies van Montausier, van de gebeurtenissen vóór en na de slag bij Tuttlingen (24-25 november 1643); zie no. 6606 (dl. XIV).
    25 - De door Grotius bevorderde editie van het verslag dat de markies van Montausier op 1 december 1643 in Tübingen had opgesteld; vgl. no. 6658, en Episodes Guébriant, p. 399. Exemplaren gingen naar Axel Oxenstierna (no. 6651), naar de Zweedse gevolmachtigden ter vredesconferentie en natuurlijk ook naar de familie in de Republiek (nos. 6647-6652).
    26 - De Gazette 1644, no. 8, dd. 16 januari 1644, berichtte over de naar Kreta (Candia) gevluchte slaven.
    27 - Gaspard III de Coligny (1584-1646), markies van Châtillon, maarschalk van Frankrijk, had op 18 augustus 1643 de verheffing van zijn landgoed Châtillon tot ‘duchépairie’ ontvangen (Tallemant des Réaux II, p. 102-105 en p. 1002-1004, en DBF VIII, kol. 802-803). Zie voor het verzet van het Parlement van Parijs, ook no. 6665.
    28 - Marie d'Avaugour de Bretagne (1612-1657), echtgenote van Hercule de Rohan, hertog van Montbazon, had met andere ‘importants’, zoals Marie de Rohan (1600-1679), hertogin van Chevreuse, en grootzegelbewaarder Charles de l'Aubespine (1580-1653), markies van Chasteauneuf, de partijstrijd aan het hof van koningin Anna aangewakkerd. Na de arrestatie van hun medestander François de Vendôme, hertog van Beaufort, op 2 september 1643, kregen zij het bevel om zich verre van Parijs te houden; zie no. 6405 (dl. XIV), en Chéruel, Histoire de France pendant la minorité de Louis XIV I, p. 143-203.
    29 - Charles, markies van Aumont, sloeg de oproeren in de Poitou, de Saintonge en de wijde omtrek van Angoulême neer. Op 18 februari 1644 mocht hij een koninklijk huldeblijk ontvangen. Twee maanden later kreeg hij het bevel over het Franse legercorps in het Frans-Weimarse leger van de burggraaf van Turenne (DBF IV, kol. 631).
    30 - Gaston, hertog van Orléans, beriep zich op de waardigheid van ‘generalissimus’ van de Franse legers.
    31 - Kardinaal Jules Mazarin was trots op de regimenten die zijn naam voerden; vgl. no. 6680.
    32 - Iedereen wist dat paus Urbanus VIII (Maffeo Barberini) niet lang meer te leven had († 29 juli 1644). De pauselijke neven, de kardinalen Francesco en Antonio Barberini, bereidden zich voor op grote veranderingen in het Vaticaan. Op hun weg vonden zij de Italiaanse vredesonderhandelaar Alessandro Bichi, die hen met geld uit de Franse schatkist overtuigde van de noodzaak om een einde te maken aan de Castro-oorlog. De vrede werd op 31 maart 1644 te Ferrara getekend (Pastor, Gesch. Päpste XIII 2, p. 875-881).
    33 - Prins Tommaso Francesco van Savoye had zijn intrek genomen in het Louvre. Bijgestaan door de Savoyaardse gevolmachtigde Saint-Mauris (S. Maurizio) onderhandelde hij met de Franse regering over de teruggave van de steden en plaatsen die de Fransen in Savoye en Piemonte op de vijand hadden veroverd; zie supra, n. 19.
    34 - De strategisch belangrijke plaatsen Pontestura, Pinerolo, Susa en Demonte in het dal van de Stura di Demonte.
    35 - Waarschijnlijk edellieden die in Parijs toegang hadden tot ‘le Luxembourg’, het paleis van Gaston van Orléans en Margaretha van Lotharingen.
    Search



    Searchform

    Fulltext search

    Search domain

    Search site
    Search current document

    [text]
    [text]
    [text]