153
Mijn Heere,
Sedert de doodt van mijn' vader sal.2 hebben wij niet nieus bij der handt willen nemen, maer alleene afdrucken hetgheene bij zijn' leven begonnen was tot effener scheyding van ons erfgenamen.
Nu zijn wij met die dingen eerst ten eynde en heb een van uwe tractaten3, aen domino Courcelles4 ghesonden, aengevangen; hadde wel ghehoopt een proef daervan neffen desen te senden, maer heeft noch niet konnen zijn. 't Is vastelavont, de naeste reyse heeft uwe E. zulcx te verwachten.
Ick zoude oock weder drucken uw' boeck De Iure belli et Pacis5 in 8o, also uwe exemplaria verkoft zijn, maer hebbe goedt ghedacht uwe E. bevoren zulcx te verwittighen, oft uwe E. yets moght hebben daerinne te veranderen oft vermeerderen, welck ick versoecke dat uwe E. mij met een woordt per dominum Courcelles ghelieve te laten weten, om mij naer te reguleren.
Blijve ondertusschen die ick altijt ben gheweest en sal blijven, Mijn Heere,
Uwer E.D.w.
J. Blaeu.
In Amsterdam, aen VIJe Martij 1639.
Adres: Cl. V. Hugoni Grotio.
In dorso schreef Grotius: 7 Martij 1639 Blaeuw.