eLaborate
::: eLaborate options :::
    Show pagebreaks
    Show variations
    Search



    Searchform

    Fulltext search

    Search domain

    Search site
    Search current document

    Letter



    3669. 1638 juli 12. Van N. van Reigersberch1.

    Mijn Heer,

    Het vertreck wt Vlaenderen2, hoe het langer ende dieper wert ingesien, hoe het meer regret causeert, dat sodanyge avantagie, die, schoon sonder vorder progres genouch was den viant te beletten om eenych notabel dessein tegens desen staet te formeren ende seer tot handelynge soude hebben gedient, sonder pregnante redenen, soo veele oordeelen, is verlaten. De bresche, die graeff Willem3 in sijne reputatie hierdoor heeft geleden, sal beswaerlijck werden gerepareert, want niet alleen de ingesetene van de steden, maer oock de militie en contenteert haer niet van dat beleyt, waervan de gedeputeerde wt het leger off eenyge derselver aen Hollant schrijven, dat hij nochtans in een vergaderynge van militaire ende politycke groote redenen heeft gegeven. Sijne Hoocheyt4 is geweest besichtygen eenige Vlaemse frontieren ende heeft graeff Willem het leger in absentie gecommandeert. Dat yet bij desen staet voorgenomen sal worden, heeft noch cleyne apparentie. Den cardinael5 difficulteert de gevangenen te relaxeren, als becommen dans le pourpris, soo luyden sijne brieven, van de riviere, daer geen quartier en is, sijnde oock int gevecht van d'een ende d'ander sijde geroupen, dat daer geen quartier en was, ende wert seer geurgeert het exces bij eenyge van de onse aen een Spaens officier tot Lyffkenshouck begaen6.

    Het quaet tractement onse soldaten aengedaen ende presentatie van twee, drie patacons op de hant doet veele derselver dienst nemen, waervan eenyge al-

    448

    reede wederom hier gecommen sijn. Van de officieren dit saisoen dienst te trecken moet men geen reeckenynge maecken, ende tot dien eynde meene ick de disputen bij den viant werden gemoveert.

    Het overcommen van het Sweetse secours, daervan 12000 sijn gearriveert, ende haer voornemen soude den viant soo connen distraheren, dat daerwt occasie mochte worden genomen om andere resolutie te concipieren, daertoe dan soude helpen de aenbiedynge van een ruytersdienst, die Milander7 doet, gelijck ick hebbe gesien wt sijne brieven van den 3 deser, daerbij hij schrijft het accort tusschen Darmstat ende Cassel was gemaeckt ende sij met de keyserse in gespreck souden commen; ondertusschen den tresves noch was gecontinueert, maer seyt niet voor hoeveel tijt. Die hier best van de saecken oordeelen houden het daervoor, dat alle dese continuatiën van tresves in een volcomen besluyt van vrede sullen eyndygen sijnde de lantgravinne8 de eenyge, die difficulteyt maeckt, Milander ende de steden daertoe, soo men gelooft, geïnclineert, niet sonder achterdencken te geven van particuliere insichten, te meer dewijle de gemelte Milander misnygen wil funderen tegen desen staet, aen dewelcke hij niet meer contentement, het (?) lest sijnde, heeft gegeven als hij seyt daer te hebben ontfangen, bijsonder aen ende van sijn Hoocheyt, met dewelcke hij niet wel eens conde werden over de inquartierynge in Münster, waer hij de onse wilde houden wtgesloten, dat soo niet wel aengenomen en wert.

    Den conynck van Denemarcken9 continueert sijne lichtyngen, die tot ontrent 8000 mannen monteren, te suppleren tot 12000, dewelcke, naer monsieur de Bellièvre10 schrijft aen den ambassadeur Ro11, daerdoor passerende heeft getoont groot miscontentement te hebben van den keyser12 ende niet te abhorreren om in de wapenen te commen, soo bij goede confederatie daertoe wert genodycht, seggende met geen tractaten van Prage13 ofte anders te sijn verknocht. Indien waer is, dat Aelianus14 gelooft, dat den keyser het bisdom van Bremen aen den soon van den hartoch van Toscane15 heeft gegeven, soo mochten die propoosten bij den conynck van Denemarcken wel worden gemeent, maer ick kan niet sien, dat den keyser om die obligatie sodanyge offensie soude willen geven. Dat oock de gemelte conynck bij Engelant soude worden aengebracht connen ons niet doen geloven den cours, die tegens desen staet wert gestelt, wiens vianden niet alleen met alle secours van coopmanschap van contrebande worden gestijft, maer oock de ingesetenen daer van met repressaliën overvallen, ende dat ter oorsaecke van goederen, bij een sententie in revisie tegens Engelse tot Middelburch gewesen ende een provisionele sententie van de Admiraliteyt tot Rotterdam, daer de saecke ten principalen kan ende behoort te worden, vervolcht. Alle welcke

    449

    vremde beiegenyngen souckt men met alle beleeffde middelen te rechten, want in plaetse van te practiseren den regel, quod quisque juris etc16, isset17 soo verde, dat den conynck18 aen de heer Ioachimi19 hebbende geclaecht, dat sijne onderdanen, de Schotten, met wapenen wt dese landen waren versien, daer reden van offensie hadde connen werden genomen, indien het haer hadde geweest geweygert, soo heeft men datelijck wapenen, die naer Schotlant werden gescheept, aengeslagen ende onder pretext niet aengegeven waren de verswegen geconfisqueert, de reste verboden wt te voeren; waerin de generaliteyt noch geen contentement genomen hebbende is van de sententie geappelleert, alsoo de oude ordonnantie, met contrari prattijcke geaboleert, confiscatie stelt van alle de goederen, soo wanneer een deel is verswegen. Soo vol souckt men haer de mate te meeten, dat weynych helpen kan bij degene, die occasie soucken om tegens een staet, die mogelijck haer te seer involcht, haer te formaliseren.

    Dat Engelant met nieuw ofte notabel subsidie den palsgrave20 soude helpen, toont hem niet ende verwacht men van de wervynge dit jaer niet bijsonders. Men vreest oock, dat tensij de Schotse saecken met sonderlynge wijsheyt werden beslecht, het in dat rijck niet wel en soude gaen sijnde den marquis de Hamilton21 tsijnder aencomste van niemant in het particulier gesien ende willen hem niet hooren als int publyck haer niet contenterende, dat de nieuwe ceremoniën worden achtergelaten, begeeren een parlament ende met soo veel vrijheyt, als de parlamenten hebben gehadt eer den conynck Iacobus22 aen de croone is gecommen. Andere seggen daerbij, dat sij oock begeeren, dat de Engelsche een parlament werde geconsenteert, om dat rijck daermede tot haer te trecken ende dat sij alreede provisie hebben gedaen van wapenen voor 60.000 mannen ende dat den conynck over dit werck niet weynych is gealtereert.

    De belegerynge van Brissac hout men, dat hertoch Barent23, hoewel 500 malderen corens daerin sijn gebracht, continueert.

    Aen vivres vreesen veele het de Fransoisen voor St. Omer sal haperen, soo sij alreede daervan niet wel, gelijck den gouverneur van Calis24 verseeckert, en sijn voorsien.

    Den ambassadeur van Vranckerijck25 is noch in het leger.

    Den soon van Pels26 vertreckt over Douvres, omdat geen ander commoditeyt en vint; t'sijner aencomste wil ick hopen liberalijck van alles bij uEd. te sullen werden geïnstrueert.

    Voor Rotterdam27 sal ick sorgen ende voorts daer ick kan uEd. dienen.

    Desen 12 Iuly 1638.

    450

    Adres: Mijn Heer Mijn Heer de Groot, Raet ende Ambassadeur van de Coninginne ende Croone van Sweden bij den Alderchristelijckste Conynck.

    In dorso schreef Grotius: 12 Iuly 1638. N. Reigersberg.

    Boven aan de brief: Rec. 22 Iuly.

    Notes



    1 - Hs. Amsterdam, UB., coll. RK. M 13j. Eigenh. oorspr. Niet ondertek. Gedrukt Rogge, Br. Nic. v. Reigersb., p. 487. Antw. op no. 3657?; beantw. d. no. 3688.
    2 - Bedoeld wordt de terugtocht van het Staatse leger.
    3 - Willem, graaf van Nassau-Siegen.
    4 - Frederik Hendrik.
    5 - De kardinaal-infant don Fernando.
    6 - Zie no. 3668, p. 447 n. 5.
    7 - Peter Melander, graaf van Holzapfel.
    8 - Amelia Elisabeth van Hanau-Münzenberg, landgravin van Hessen-Kassel.
    9 - Christiaan IV.
    10 - Pomponne de Bellièvre, Frans gezant te Engeland.
    11 - Thomas Roe.
    12 - Ferdinand III.
    13 - De vrede van Praag, gesloten in 1635.
    14 - Schuilnaam voor Petter Spiring Silvercrona.
    15 - Cosimo II de Medici, groothertog van Toscane, had behalve Ferdinand II nog 3 zonen die in 1638 in leven waren: Giovanni Carlo (1611-1663), Mattias (1613-1667), en Leopoldo (1617-1675). Ik heb niet kunnen vaststellen, wie van deze drie hier bedoeld wordt.
    16 - Vgl. Justinianus, Inst. I, 2, 1.
    17 - In het hs. volgt een overbodig ‘het’.
    18 - Karel I van Engeland.
    19 - Albert Joachimi, ordinarius Staats gezant in Engeland.
    20 - Karl Ludwig van de Palts.
    21 - James Hamilton.
    22 - Jacobus I van Engeland.
    23 - Bernhard, hertog van Saksen-Weimar.
    24 - Louis de Béthune, graaf van Charost.
    25 - Jean d'Estampes, sieur de Valençay.
    26 - Pieter, zoon van Paulus Pels.
    27 - Het betreft hier de pogingen namens Grotius ondernomen om diens achterstallige salaris als pensionaris van Rotterdam alsnog uitbetaald te krijgen.